De inspecteur legt X voor 2018 een aanslag IB/PVV op naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.708, met een te betalen bedrag van € 20.188, een vergrijpboete van € 9883 en belastingrente. Na bezwaar handhaaft de inspecteur de aanslag en vermindert de boete tot € 2000. Rechtbank Gelderland verklaart het beroep van X ongegrond. Het na de einduitspraak ingediende wrakingsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard. X stelt hoger beroep in en verzoekt om een voorlopige voorziening voor uitstel van betaling. X dient vervolgens weer een wrakingsverzoek in. In geschil is of de voorzieningenrechter het wrakingsverzoek van X buiten behandeling mag laten en met toepassing van art. 8:86 Awb direct uitspraak in de hoofdzaak mag doen.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat het verzoek van X van 26 februari 2025 geen geldig nieuw wrakingsverzoek vormt. Voor zover X de eerdere wrakingsbeslissing aanvalt, kwalificeert dit niet als wraking in de zin van art. 8:15 Awb. Voor zover X het volledige hof wraakt, staat de wet dit niet toe, terwijl X voor zover hij de voorzieningenrechter wraakt geen nieuwe feiten of omstandigheden aandraagt als bedoeld in art. 8:16 lid 4 Awb. De zittingsrechter laat het verzoek daarom buiten behandeling, past art. 8:86 Awb toe, verklaart het hoger beroep ongegrond en wijst de voorlopige voorziening af.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.15
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.16
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.86
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67D
Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting
Editie: 19 februari
Informatiesoort: VN Vandaag