X BV vormt een VPB-f.e. met A BV en is firmant in B VOF (50%). B VOF verkoopt een motorschip en X BV doteert de boekwinst van € 724.833 in 2018 aan een HIR. De bank scheldt in 2019, na betaling van € 4,6 mln, een deel van de leenschuld van B VOF kwijt. Het aandeel van X BV bedraagt € 392.556. A BV en C BV, een nieuw opgerichte dochter van X BV, investeren in vervangende schepen. In verband daarmee worden bedragen afgeboekt van de HIR. X BV doet VPB-aangifte 2019 en past de kwijtscheldingswinstvrijstelling toe op het volledige bedrag (€ 392.556). In geschil is of X BV, uitgaande van zelfstandige winstbepaling, recht heeft op de kwijtscheldingswinstvrijstelling binnen de f.e.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat art. 3.13 Wet IB 2001 in verbinding met art. 15ac Wet VPB 1969 inhoudt dat de kwijtscheldingswinstvrijstelling binnen een f.e. alleen geldt als X BV aannemelijk maakt dat zij ook zelfstandig recht op de vrijstelling heeft. De rechtbank rekent de dotatie aan de HIR bij de zelfstandige winstbepaling toe aan X BV, omdat zij de boekwinst realiseert. Daardoor resteert een aanzienlijk bedrag aan verrekenbare verliezen en mist de vrijstelling toepassing. Het gelijk is aan de inspecteur.
Wetingang:
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 8
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 15AC
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 15AH
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.13
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.54
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Vennootschapsbelasting
Editie: 27 maart
Informatiesoort: VN Vandaag