Belanghebbende, X, thans een SÀRL naar Luxemburgs recht, is in 2014 een Nederlandse BV en moedermaatschappij van een fiscale eenheid met drie dochters die levensverzekeringsactiviteiten verrichten. Bij één dochter grijpt DNB in vanwege solvabiliteitsproblemen. DNB benoemt een curator en stelt eisen aan herstelmaatregelen en een gecontroleerde afbouw van activiteiten. De inspecteur nodigt X uit om aangifte vennootschapsbelasting 2014 te doen en maant haar vervolgens aan. Als de aangifte uitblijft, legt de inspecteur een ambtshalve aanslag op naar een geschat belastbaar bedrag van circa € 26 miljoen, gebaseerd op de commerciële jaarrekeningen van de dochters, met diverse fiscale correcties. Tijdens de bezwaarfase dient X alsnog een aangifte in.
Advocaat-generaal Wattel is van mening dat het oordeel van Hof Arnhem-Leeuwarden over omkering van de bewijslast niet anders had uitgepakt indien het hof het beroep op disculperende omstandigheden die zich al eerder voordeden had meegenomen. Deze omstandigheden (ingrijpen van DNB, benoeming van curatoren en bestuurswisselingen bij dochtermaatschappijen) maken niet duidelijk waarom X niet in staat was tijdig aangifte te doen en evenmin waarom ook na vaststelling van de jaarrekening in januari 2016 nog tot december 2017 geen aangifte is ingediend. Volgens de A-G betoogt X op zichzelf terecht dat de inspecteur en het hof bij de beoordeling van de redelijkheid van de schatting rekening hadden moeten houden met de tijdens bezwaar ingediende aangifte. Het hof heeft niet gemotiveerd waarom die aangifte en de daarin opgenomen aansluitingsverschillen buiten beschouwing blijven. Dit kan echter niet tot cassatie leiden, omdat X stellingen ter zake van die aansluitingsverschillen pas ter zitting voldoende kenbaar heeft aangevoerd. De uitspraak van het hof geeft weliswaar weinig blijk van een afweging tussen het belang van een doelmatige procesgang en dat van X bij de beoordeling van haar grieven, maar uit het proces-verbaal blijkt dat die afweging wel is gemaakt. De A-G adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep van X ongegrond te verklaren.
Wetingang:
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 8
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 27E
Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Vennootschapsbelasting
Editie: 9 maart
Informatiesoort: VN Vandaag