X is inwoner van België. Gedurende het gehele jaar 2019 is X in dienstbetrekking bij een Nederlandse BV en werkt uitsluitend in Nederland. België heft over het loon uit dienstbetrekking geen personenbelasting, maar wel gemeentelijke belasting. De Nederlandse inspecteur legt een aanslag IB/PVV 2019 op over een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.931. In geschil is of de aanslag IB/PVV 2019 naar het juiste bedrag is opgelegd en of X recht heeft op de door hem geclaimde vrijstelling voor het nettoloon van de BV.
Hof ’s-Hertogenbosch (V-N 2025/57.1.3) oordeelt dat op grond van art. 15 Verdrag Nederland-België Nederland mag heffen over het loon dat X als inwoner van België verkrijgt van een in Nederland gevestigde werkgever ter zake van een in Nederland uitgeoefende dienstbetrekking. Voor zover X betoogt dat België het belastingverdrag verkeerd toepast door bij de heffing van de gemeentebelasting geen vrijstelling te geven voor het loon, is het hof niet bevoegd om hierover te beslissen. Het hoger beroep van X is ongegrond. X gaat in cassatie, maar na het verstrijken van de cassatietermijn. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 7.1
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 7.2
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Inkomstenbelasting, Internationaal belastingrecht
Editie: 1 april
Informatiesoort: VN Vandaag