De Hoge Raad oordeelt dat de wijze waarop het hof de bewijslast heeft verdeeld niet in overeenstemming is met de bewijslastverdeling die volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie EU. Hieruit volgt namelijk dat het betwisten van de zakelijke overwegingen door de inspecteur onvoldoende is.

X, een uitvaartverzekeraar, maakt deel uit van de C-groep. Tot de groep behoren onder andere een levensverzekeringsmaatschappij en een andere uitvaartverzekeraar. Vanwege de precaire financiële situatie waarin de verzekeringsmaatschappij is geraakt, wordt besloten, op instigatie van de DNB, om de onderneming van X af te splitsen naar een nieuw opgerichte vennootschap, tegen uitreiking van een aandeel, in plaats van een activa-passivatransactie. Dit aandeel wordt vervolgens verkocht aan een derde. X verzoekt de inspecteur om zekerheid te verstrekken over de vraag of de voorgenomen splitsing en de daaropvolgende verkoop van aandelen zakelijk is of niet. Volgens de inspecteur is de splitsing in overwegende mate gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Hij noemt daarbij een bedrag van € 14 mln. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt, in tegenstelling tot Rechtbank Gelderland, dat X, tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk maakt dat de door haar genoemde voordelen van de afsplitsing, ten opzichte van een activa-passivatransactie, zich daadwerkelijk voordoen. Er liggen geen zakelijke overwegingen ten grondslag aan de splitsing van de onderneming en de daaropvolgende verkoop van de onderneming. X gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat de wijze waarop het hof de bewijslast heeft verdeeld niet in overeenstemming is met de bewijslastverdeling die volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie EU. Uit deze jurisprudentie volgt namelijk dat de inspecteur er niet mee kan volstaan de door X voor de splitsing aangevoerde zakelijke overwegingen gemotiveerd te betwisten. Hij moet ten minste een begin van bewijs leveren dat geen sprake is van zakelijke overwegingen, of dat er aanwijzingen bestaan voor het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De Hoge Raad verwijst de zaak naar Hof 's-Hertogenbosch. De Hoge Raad wijst het verwijzingshof er daarbij nog op dat in de conclusie van A-G Wattel enkele wegen worden geschetst om de zakelijkheid van de overwegingen voor de gekozen weg naar het einddoel te beoordelen

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 14A

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Vennootschapsbelasting

Editie: 2 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

Focus: Focus

91

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen