In eerdere rechtspraak van zowel de civiele kamer als de belastingkamer is geoordeeld dat het rechtsmiddelenverbod van art. 8:18 lid 6 Awb kan worden doorbroken indien de wrakingsregeling ten onrechte niet is toegepast, buiten haar toepassingsgebied is getreden of essentiële vormen zijn geschonden.
De belastingkamer van de Hoge Raad oordeelt dat tegen een beslissing op een wrakingsverzoek niet langer op doorbrekingsgronden hoger beroep of cassatieberoep openstaat. In eerdere rechtspraak van zowel de civiele kamer als de belastingkamer is geoordeeld dat het rechtsmiddelenverbod van art. 8:18 lid 6 Awb kan worden doorbroken indien de wrakingsregeling ten onrechte niet is toegepast, buiten haar toepassingsgebied is getreden of essentiële vormen zijn geschonden. Evenals de civiele kamer ziet de belastingkamer aanleiding om terug te komen van die rechtspraak. Volgens de Hoge Raad kan een verzoeker wiens wrakingsverzoek is afgewezen of ten onrechte niet in behandeling is genomen dit in hoger beroep of cassatie tegen de einduitspraak in de hoofdzaak aan de orde stellen. De verzoeker tot wraking heeft in zoverre geen belang bij een zelfstandig hoger beroep of cassatieberoep tegen de beslissing op zijn verzoek. Daarmee is de rechtsbescherming gewaarborgd, ook in zaken waar art. 6 EVRM van toepassing is. Het belang van voortgang van de procedure weegt zwaarder dan het belang bij een afzonderlijk rechtsmiddel. Omdat het cassatieberoep al vóór dit arrest was ingesteld, wordt de nieuwe lijn niet tegen X gebruikt. Dat mag X echter niet baten, want zijn cassatieberoep wordt met toepassing van art. 81 RO ongegrond verklaard.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.18
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 16 februari
Informatiesoort: VN Vandaag