Tijdens een strafrechtelijk onderzoek naar de vervaardiging van synthetische drugs wordt X aangetroffen in een drugslaboratorium dat in werking is. In verband met zijn betrokkenheid bij de productie van drugs wordt X veroordeeld tot een gevangenisstraf en tot betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 150.000. De inspecteur legt vervolgens begin 2021 een IB-aanslag 2018 op aan X conform de resultaten van het door hem ingestelde onderzoek. Begin 2022 verzoekt X om ambtshalve vermindering van de aanslag. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X reeds op grond van de normale bewijslast het van hem te verlangen bewijs dat de aanslag te hoog is vastgesteld niet heeft geleverd.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat de aan X, die strafrechtelijk is veroordeeld voor zijn betrokkenheid bij de productie van drugs, opgelegde IB-aanslag 2018 niet te hoog is. X toont namelijk niet aan dat de schatting van de inspecteur en de veronderstellingen die aan de schatting ten grondslag liggen, onjuist zijn. X heeft dan niet het van hem vereiste bewijs geleverd. Er is geen reden voor ambtshalve vermindering van de aanslag. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 9.6
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 artikel 45AA
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 24 maart
Informatiesoort: VN Vandaag