Erflaatster overlijdt in 2014 en benoemt erfgenaam Y tot executeur-testamentair en X tot legataris. X verwerpt het legaat. De inspecteur legt X in 2018 een aanslag erfbelasting op en vermindert deze na bezwaar. Y dient voor een tweede keer een bezwaarschrift in omdat bij het vaststellen van de aanslag de in de beschikking van de Rechtbank Den Haag opgenomen herverdeling van de boedel niet is gevolgd. De inspecteur merkt dit aan als een verzoek om ambtshalve vermindering, wijst het verzoek af en verklaart het daaropvolgende bezwaar niet-ontvankelijk. Rechtbank Den Haag verklaart het beroep ongegrond. X dient vervolgens namens X hoger beroep in en voegt daarbij een verklaring van executele en een ongedateerde machtiging toe. Het hof verzoekt Y meerdere keren om een recente gedagtekende machtiging. Ondanks herhaalde verzoeken ontvangt het hof geen gedagtekende machtiging. In geschil is of Y gemachtigd is om namens X hoger beroep in te stellen.
Hof Den Haag oordeelt dat Y geen toereikende vertegenwoordigingsbevoegdheid voor X aantoont en ondanks herhaalde verzoeken geen recente gedagtekende machtiging overlegt. De verklaring van executele geeft Y uitsluitend de bevoegdheid om erfgenamen te vertegenwoordigen. X is als legataris geen erfgenaam of rechtverkrijgende onder algemene titel, zodat Y X niet op die grond kan vertegenwoordigen. Gelet op het dossier is er een gerede twijfel aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van Y om namens X hoger beroep in te stellen en het hof heeft om die reden Y om een recente machtiging gevraagd. Omdat Y die niet overlegt, verklaart het hof het namens X ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.24
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 26
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 44
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 3 april
Informatiesoort: VN Vandaag