Naar aanleiding van belastinggeschillen sluiten X BV en de inspecteur een vaststellingsovereenkomst af voor de jaren vanaf 2015. X BV doet voor de jaren 2015, 2016 en 2017 niet binnen de bij aanmaning gestelde termijn aangiften VPB, maar pas nadat de inspecteur ambtshalve de VPB aanslagen heeft opgelegd. X BV zegt dat zij niet te laat aangiften heeft gedaan en verwijst daarbij naar hetgeen overeengekomen is in de vaststellingsovereenkomst.
Hof Arnhem-Leeuwarden (V-N Vandaag 2024/788) oordeelt dat de vaststellingsovereenkomst X BV niet ontslaat van haar wettelijke verplichting om aangifte VPB te doen. X BV heeft voor de jaren 2015, 2016 en 2017 niet de vereiste aangiften VPB gedaan. Het gevolg hiervan is omkering en verzwaring van de bewijslast. De inspecteur heeft echter onvoldoende aanknopingspunten verschaft waaruit is af te leiden dat zijn schatting van de aanslagen redelijk is. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het controlerapport waar de inspecteur naar verwijst voor het jaar 2015 te summier is en de aangebrachte winstcorrecties daarmee niet zijn onderbouwd. De op de schatting van 2015 gebaseerde aanslagen VPB voor 2016 en 2017 zijn daarmee eveneens niet redelijk. Het hof stelt zelf in goede justitie de belastbare winst van X BV vast voor de onderhavige jaren. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 6
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 14 april
Informatiesoort: VN Vandaag