De Hoge Raad oordeelt dat bij het in rekening brengen van belastingrente over een toekomstig tijdvak niet mag worden vooruitgelopen op een nog niet in werking getreden besluit tot renteverhoging.

X dient een herziene aangifte IB/PVV 2016 in met aanvullende inkomsten. De Belastingdienst legt hem daarop een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw 2016 op met dagtekening 26 september 2020. Daarbij wordt € 194 aan belastingrente in rekening gebracht, berekend over de periode van 1 juli 2017 tot en met 20 oktober 2020. Over de periode 1 juli 2017 tot 1 juli 2020 is 4% rente toegepast, van 1 juli 2020 tot 1 oktober 2020 0,01% en van 1 oktober tot en met 20 oktober 2020 opnieuw 4%. X stelt dat de belastingrente van 4% zijn eigendomsrecht aantast dat beschermd wordt door art. 1 EP EVRM. Hof ’s-Hertogenbosch verwerpt dit betoog.

De Hoge Raad oordeelt dat bij het in rekening brengen van belastingrente over een toekomstig tijdvak niet mag worden vooruitgelopen op een nog niet in werking getreden besluit tot renteverhoging. Op grond van het legaliteitsbeginsel mogen belasting en belastingrente niet worden geheven of berekend op basis van een regeling die nog niet in werking is getreden. De inspecteur mocht daarom vóór 1 oktober 2020 het verhoogde rentepercentage van 4% niet toepassen, ook niet voor een periode daarna. Daaraan doet volgens de Hoge Raad niet af dat de beschikking in zoverre betrekking heeft op belastingrente over een tijdvak dat begint te lopen op 1 oktober 2020, dus een tijdvak waarin dat nieuwe percentage in werking zal zijn getreden. Voor de periode 1 tot en met 20 oktober 2020 geldt het toen geldende percentage van 0,01%. Dat bij het opleggen van de belastingrentebeschikking al kenbaar was dat en wanneer het percentage zou worden verhoogd, en dat de eerdere verlaging tijdelijk was, rechtvaardigt geen afwijking van het legaliteitsbeginsel. Er geldt wel een uitzondering op het legaliteitsbeginsel indien een wet in formele zin met terugwerkende kracht een juridische grondslag verleent aan eerder handelen van de inspecteur, maar die uitzondering doet zich hier niet voor. De Hoge Raad vermindert zelf de belastingrente tot € 124. Verder klaagt X terecht dat het hof had moeten motiveren waarom het op basis van art. 2 lid 2 Bpb de proceskostenvergoeding heeft gematigd (zie HR 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:283, V-N 2026/14.15). Onder verwijzing naar HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, V-N 2026/5.21 oordeelt de Hoge Raad dat het rentepercentage van 4% geen inbreuk vormt op art. 1 EP EVRM en – ten overvloede – evenmin in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 1

Besluit proceskosten bestuursrecht artikel 2

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30HB

Grondwet artikel 104

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 13 april

Informatiesoort: VN Vandaag

Focus: Focus

35

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen