Tot de fiscale eenheid waarvan X BV de moedermaatschappij is, behoort ook A BV. Het X-concern houdt zich bezig met online gokken. A BV leent gelden uit aan Q, een gelieerde Maltese vennootschap. In haar VPB-aangifte 2019 waardeert X BV de door A BV aan Q uitgeleende gelden af met € 267.017. Na bezwaar accepteert de inspecteur uiteindelijk slechts een afwaardering van € 28.928. Volgens de inspecteur is namelijk sprake van een onzakelijke lening.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat X BV de afwaardering op de lening aan de gelieerde vennootschap niet in aftrek kan brengen op haar winst. De inspecteur maakt aannemelijk dat de na 31 januari 2016 verstrekte bedragen het karakter van een onzakelijke lening hebben. De rechtbank acht daarbij van belang dat er geen zekerheden zijn gesteld, terwijl de debiteur in het geheel met vreemd vermogen is gefinancierd. Verder was de solvabiliteit van de debiteur vanaf het begin negatief was en is dat ook steeds zo gebleven. Daarnaast is van belang dat de opbrengsten uit de gokactiviteiten niet aan de crediteur en X BV toekomen, maar aan de economisch rechthebbenden. X BV heeft dan ook een debiteurenrisico gelopen dat zodanig groot is dat er geen onafhankelijke derde te vinden is die de gelden met een grote(re) risico-opslag aan de debiteur zou hebben uitgeleend. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.25
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 8
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Vennootschapsbelasting
Editie: 9 februari
Informatiesoort: VN Vandaag