Een dotatie aan een voorziening wegens indexatie van een pensioenregeling, die haar oorzaak vindt in prijsstijgingen die al hebben plaatsgevonden, wordt niet temporeel in aftrek beperkt door art. 3.26 Wet IB 2001. Dat volgt uit een standpunt van de Kennisgroep winstbepaling.

X BV krijgt dispensatie van een bedrijfstakpensioenfonds en sluit voor haar werknemers een pensioenregeling af bij een verzekeraar. De voorwaarde van de dispensatie is dat de pensioenregeling gelijkwaardig is aan de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds. Een van de elementen van die gelijkwaardigheid is dat de aanspraak in de gedispenseerde pensioenregeling wordt geïndexeerd. Wanneer het bedrijfstakpensioenfonds in jaar T besluit tot indexatie – gebaseerd op prijsstijgingen die vóór de balansdatum hebben plaatsgevonden – betaalt X BV in jaar T+1 een aanvullende koopsom aan de verzekeraar. De omvang van de koopsom is bepaalbaar eind jaar T, zodat X BV hiervoor in dat jaar een voorziening vormt. Art. 3.26 Wet IB 2001 beoogt uitsluitend de invloed van toekomstige loon- en prijsstijgingen uit te sluiten bij de jaarwinstbepaling. In dit geval vloeit de verplichting tot het bijstorten van de koopsom echter rechtstreeks voort uit reeds opgetreden prijsstijgingen in jaar T. Art. 3.26 Wet IB 2001 is dus niet van toepassing.

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.25

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.26

[Nieuwsbron]

Rubriek: Inkomstenbelasting

Regelgevende instantie: Belastingdienst

Editie: 26 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

5

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen