In de casus zijn X, Y en Z aandeelhouders van A BV. X houdt 40% van de aandelen en Y en Z ieder 30%. Er wordt een holdingstructuur gecreëerd door middel van een aandelenfusie gevolgd door een juridische splitsing. Door de aandelenfusie verkrijgt de nieuw opgerichte B BV alle aandelen in A BV tegen uitreiking van aandelen in B BV aan X (40%), Y (30%) en Z (30%). Hierna wordt B BV gesplitst in Holding X, Holding Y en Holding Z welke respectievelijk voor 40%, 30% en 30% deelneemt in A BV. De splitsing wordt anderhalve maand na de aandelenfusie van kracht.
B BV kon voor het van kracht worden van de splitsing (tijdelijk) meer dan de helft van de stemrechten op de aandelen A BV uitoefenen. Hierdoor wordt voldaan aan het stemrechtvereiste van art. 3.55 lid 2 Wet IB 2001.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.55
Rubriek: Inkomstenbelasting
Regelgevende instantie: Belastingdienst
Editie: 17 februari
Informatiesoort: VN Vandaag