De ouders exploiteren een onderneming in de vorm van een VOF waarin het economische eigendom van een onroerende zaak is ingebracht. Het kind treedt tot de VOF toe waarbij deze een aandeel in de onderneming van vader en moeder verkrijgt. Vervolgens treedt de moeder uit en draagt haar resterende aandeel over aan het kind. Voor beide verkrijgingen doet het kind een beroep op de vrijstelling van overdrachtsbelasting wegens een bedrijfsoverdracht (art. 15 lid 1 onderdeel b Wet BRV 1970). Twee jaar later brengt het kind zijn onderneming (aandeel in de VOF) in een BV waarvan het kind alle aandelen houdt. Dit leidt ertoe dat de eerder verleende vrijstelling wordt teruggenomen voor zover de vrijstelling betrekking heeft op de verkregen van de onderneming van de vader. Er wordt namelijk niet meer voldaan aan het voortzettingsvereiste want het deel van de onderneming van de vader is nog niet geheel door het kind verkregen.
Wetingang:
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 15
Rubriek: Belastingen van rechtsverkeer, Inkomstenbelasting
Regelgevende instantie: Belastingdienst
Editie: 23 januari
Informatiesoort: VN Vandaag