Een eenmalige uitkering bij beëindiging van het nabestaandenpensioen, bij het hertrouwen van de weduwe/weduwnaar van de overleden werknemer, staat niet in de weg aan de toepassing van de subjectieve vrijstelling voor pensioenfondsen van art. 5 lid 1 onderdeel b Wet VPB 1969. Dit volgt uit een standpunt van de Kennisgroep belastingplicht en kwalificatie rechtsvormen.

X is een pensioenlichaam dat gevestigd is in land Y. De werkzaamheden van X bestaan uit het uitvoeren van een pensioenregeling dat voorziet in de mogelijkheid van een slotuitkering bij beëindiging van het nabestaandenpensioen in geval van het hertrouwen van de weduwe/weduwnaar van de overleden werknemer. De slotuitkering bedraagt maximaal 24 keer het maandbedrag. Voor de teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting is onder meer vereist dat X subjectief zou zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting wanneer X in Nederland zou zijn gevestigd (art. 5 lid 1 onderdeel b Wet VPB 1969). Ook dient te worden voldaan aan de voorwaarden van onderdeel 3.3 van het Besluit van 25 november 2019, Stcrt. 2019, 66223, V-N 2020/3.11. Omdat de eenmalige uitkering verband houdt met het beëindigen van de noodzaak tot verzorging van de weduwe of weduwnaar bij hertrouwen, heeft de uitkering het karakter van een overgangsmaatregel en komt daardoor niet in strijd met doel en strekking van het Nederlandse afkoopverbod.

Wetingang:

Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 artikel 3

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 5

[Nieuwsbron] [Nieuwsbron]

Rubriek: Vennootschapsbelasting, Pensioenen

Regelgevende instantie: Belastingdienst

Editie: 26 februari

Informatiesoort: VN Vandaag

10

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen