De Hoge Raad oordeelt dat de kosten van gemeentelijke parkeerautomaten en parkeerapps dusdanig samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting dat zij mogen worden toegerekend aan de inning van deze belasting. Die kosten mogen daarom geheel of gedeeltelijk in rekening worden gebracht bij het opleggen van (de kostencomponent van) naheffingsaanslagen parkeerbelasting.

Belanghebbende, X, is het niet eens met een naheffingsaanslag parkeerbelasting van de gemeente Den Haag, bestaande uit € 2 aan nageheven belasting en € 67,30 aan naheffingskosten.

De Hoge Raad oordeelt dat de kosten van gemeentelijke parkeerautomaten en parkeerapps dusdanig samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting dat zij mogen worden toegerekend aan de inning van deze belasting. Die kosten mogen daarom geheel of gedeeltelijk in rekening worden gebracht bij het opleggen van (de kostencomponent van) naheffingsaanslagen parkeerbelasting. Bij de beoordeling of het bedrag aan kosten in een parkeerbelastingverordening voldoet aan de verhaalbarekostenlimiet in de parkeerbelasting zoekt de Hoge Raad zoveel mogelijk aansluiting bij zijn rechtspraak over de andere opbrengstlimieten binnen de gemeentelijke belastingen. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat gemeenten in de kostenraming mogen uitgaan van het verwachte aantal inbare naheffingsaanslagen. Deze uitleg sluit aan bij de strekking van art. 2 lid 2 Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen. Tot slot oordeelt de Hoge Raad dat de te late bekendmaking van het maximumbedrag voor de kostencomponent parkeerbelasting in de Staatscourant geen rechtsgevolgen heeft. Het cassatieberoep van X is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Gemeentewet artikel 234

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Belastingen van lagere overheden

Editie: 26 januari

Informatiesoort: VN Vandaag

182

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen