Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat het werkelijke rendement op het box 3-vermogen 2018 lager is dan het forfaitair berekende rendement.

Erflater X ontvangt de aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 waarin het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is berekend op € 39.596. Later past de inspecteur ambtshalve rechtsherstel toe en vermindert dit bedrag tot € 38.318. De rechtbank verlaagt dit bedrag verder naar € 16.087. In hoger beroep is in geschil of X aannemelijk maakt dat het werkelijke rendement op het box 3-vermogen 2018 lager is dan het forfaitaire rendement volgens de Wet rechtsherstel box 3.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de bewijslast voor een lager werkelijk rendement bij X ligt. X geeft slechts bedragen voor dividenden, beheerkosten en begin- en eindwaarden van de beleggingen, specificeert niet welke mutaties voortkomen uit stortingen of onttrekkingen en onderbouwt de cijfers niet met bescheiden. Kosten van vermogensbeheer tellen niet mee bij de berekening van het werkelijke rendement. X maakt niet aannemelijk dat het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement volgens de Herstelwet. De aanslag IB/PVV 2018 wordt door het hof vastgesteld conform de eerdere ambtshalve beschikking.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet rechtsherstel box 3 artikel 3

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.1

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.3

Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 12 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

12

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen