Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X met het legaat van een onverdeeld aandeel in cultuurgrond en spaartegoeden geen ondernemingsvermogen als bedoeld in art. 35c SW 1956 verkrijgt en daarom geen bedrijfsopvolgingsvrijstelling van art. 35b SW 1956 kan toepassen, waarbij art. 3.62 Wet IB 2001 geen doorwerking heeft.
Erflater, de broer van X, overlijdt. Hij beschikt bij testament over zijn nalatenschap en legateert aan X een onverdeeld aandeel in een stuk cultuurgrond en in zijn overige spaartegoeden en beleggingen. Erflater drijft met zijn neef een melkveehouderij in Z VOF en stelt het gebruik en genot van de cultuurgrond aan die vennootschap ter beschikking. Na het overlijden sluiten de neef en X een nieuwe VOF-akte en brengen zij het gebruik en genot van de geërfde cultuurgrond in. X doet aangifte erfbelasting ter zake van de verkrijging. In geschil is of de aan X gelegateerde cultuurgrond en spaartegoeden kwalificeren als ondernemingsvermogen waarvoor de bedrijfsopvolgingsregeling geldt.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X bij legaat slechts een onverdeeld aandeel in een stuk cultuurgrond en in spaartegoeden en beleggingen verkrijgt. Deze vermogensbestanddelen vormen op zichzelf en tezamen geen onderneming of zelfstandig deel daarvan, zodat zij geen ondernemingsvermogen in de zin van art. 35c SW 1956 zijn. Beslissend is de situatie ten tijde van de verkrijging; de latere inbreng van de cultuurgrond in X VOF en de creditering van X in het firmavermogen veranderen dit niet. Art. 3.62 Wet IB 2001 werkt niet door naar de bedrijfsopvolgingsregeling, zodat de vrijstelling van art. 35b SW 1956 niet van toepassing is.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.2
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.62
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.63
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Schenk- en erfbelasting
Editie: 24 maart
Informatiesoort: VN Vandaag