X woont samen met Y en staat met haar het gehele jaar op hetzelfde adres in de basisregistratie personen ingeschreven. Voor 2017 en 2018 kwalificeren zij als fiscale partners. De inspecteur legt X een aanslag IB/PVV 2018 op conform de aangifte, met een box 3-grondslag van € 1.497.993, waarvan € 1.151.895 aan X toekomt. X maakt geen bezwaar. Later verzoekt hij, met een beroep op het Kerstarrest, om herziening van zijn box 3-inkomen. De inspecteur wijst het verzoek af, splitst het daaropvolgende bezwaar in een massaal bezwaar plus-deel en overige grieven en handhaaft de aanslag, waarop X beroep instelt. In geschil is of de rechtbank ondanks de massaal bezwaar plus-procedure inhoudelijk over de box 3-grieven van X mag oordelen en of het verplichte fiscaal partnerschap verdragsrecht schendt.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de beroepsgronden van X over de box 3-heffing en de gestelde ongelijke behandeling volledig binnen de reikwijdte van de in de massaal bezwaar plus-procedure geformuleerde rechtsvraag vallen. De rechtbank acht zich daarom gebonden aan die procedure en onthoudt zich van een inhoudelijk oordeel daarover. Ten aanzien van het verplichte fiscaal partnerschap oordeelt de rechtbank dat X en Y terecht als partners kwalificeren en dat deze regeling, gelet op de ruime beoordelingsmarge van de wetgever en de beoogde individualisering, niet in strijd komt met art. 1 EP EVRM en art. 8 en 14 EVRM. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 1.2
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 5A
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 2.17
Instantie: Rechtbank Noord-Nederland
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 16 februari
Informatiesoort: VN Vandaag