Aan X BV is in 2015 een uitnodiging tot betaling (UTB) van € 24.383 aan douanerechten en antidumpingrechten opgelegd voor het in het vrije verkeer brengen van metalen bevestigingsmiddelen uit de Volksrepubliek China. De goederen waren in 2012 aangegeven als zijnde afkomstig uit Indonesië, waardoor douanerechten naar het 0%-tarief waren verschuldigd. Volgens deze aangifte was de douanewaarde de overeengekomen prijs onder de leveringsconditie Delivered Duty Paid (DDP). X BV stelt dat door die leveringsconditie de te betalen douane- en antidumpingrechten in aftrek moeten komen op de douanewaarde. Hof Amsterdam oordeelt dat het de inspecteur niet vrijstaat om, nadat de UTB al was uitgereikt - bijna vier jaar later en in de beroepsfase - alsnog de procedure van art. 140 Uitvoeringsverordening Douanewetboek EU (verwerpen aangegeven transactiewaarde) toe te passen en het resultaat van die procedure ten grondslag te leggen aan de reeds uitgereikte UTB. De UTB wordt verlaagd tot € 12.292, ervan uitgaande dat de leveringsvoorwaarde DDP is overeengekomen. De staatssecretaris gaat in cassatie.
De Hoge Raad wijst de zaak terug naar Hof Amsterdam voor het alsnog beoordelen van het standpunt van de inspecteur dat aannemelijk is dat X BV met haar Indonesische leverancier in werkelijkheid niet de leveringsvoorwaarde DDP is overeengekomen. Hierbij mogen de gegevens en documenten die de inspecteur in het kader van de verwerpingsprocedure inzake de transactiewaarde heeft verkregen niet als bewijs worden gebruikt. Het principale cassatieberoep is deels gegrond. X BV krijgt wegens het overschrijden van de redelijke termijn een immateriële schadevergoeding van € 2000.
Wetingang:
Communautair Douanewetboek (CDW) artikel 29
Communautair Douanewetboek (CDW) artikel 33