X woont in België en ontvangt onder andere pensioen- en lijfrente-uitkeringen uit Nederland. De door België, niet progressief, belaste pensioeninkomsten bedragen in de jaren 2014-2017 minder dan € 25.000. Het meerdere wordt wel progressief belast door België. De inspecteur is van mening dat het gehele pensioeninkomen van X in Nederland belastbaar is, omdat het totale brutobedrag meer bedraagt dan € 25.000. Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat Nederland onder voorwaarden belasting kan heffen over het pensioeninkomen. Voor het pensioen van X geldt dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Het hof volgt daarbij de stelling van X dat het progressief belaste deel niet meetelt. Daarbij merkt het hof op dat de tekst van art. 18 Belastingverdrag Nederland-België onduidelijk is en dat deze onduidelijkheid niet ten nadele van X mag worden uitgelegd. De staatssecretaris gaat in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt dat uit de tekst van art. 18 Belastingverdrag Nederland-België volgt dat het gehele brutobedrag van de gezamenlijke pensioen- en lijfrente-uitkeringen in aanmerking moet worden genomen. Het gelijk is dan ook aan de staatssecretaris. Verder honoreert de Hoge Raad ook de stelling van de staatssecretaris dat er geen recht bestaat op vergoeding van belastingrente over de teruggaaf van LB. Er is namelijk geen sprake van een teruggaaf op grond van art. 30ha AWR. Ook is er geen plaats voor vergoeding van belastingrente op grond van art. 30fd lid 1 AWR. X heeft namelijk geen IB-aangifte ingediend. De Hoge Raad doet de zaak zelf af en vermindert daarbij de aanslagen omdat X in het gelijk wordt gesteld met betrekking tot zijn stelling dat Nederland van belastingheffing moet afzien over het deel van de inkomsten dat in België (terecht) progressief in de heffing wordt betrokken.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30FD
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30HA
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Internationaal belastingrecht
Editie: 16 maart
Informatiesoort: VN Vandaag