X BV treedt op als Toegelaten afzender en plaatst in twee gevallen alcoholhoudende dranken onder de regeling extern Uniedouanevervoer van Utrecht naar Rotterdam. De goederen komen niet aan bij het douanekantoor van bestemming en NCTS registreert geen zuivering, waarna de inspecteur na nasporing twee utb’s oplegt voor accijns, omzetbelasting en rente, groot € 46.416,80 en € 28.914,46. X BV maakt te laat bezwaar en stelt geen beroep in, maar dient later terugbetalingsverzoeken in. De inspecteur wijst die af. Rechtbank Noord-Holland verklaart de daartegen ingestelde beroepen ongegrond. In geschil is of X BV aantoont dat de onder de regeling Uniedouanevervoer geplaatste goederen de Unie hebben verlaten, zodat de douaneschulden teniet zijn gegaan.
Hof Amsterdam oordeelt dat de regeling Uniedouanevervoer niet op regelmatige wijze eindigt, omdat de goederen niet bij het douanekantoor van bestemming zijn verschenen. Daardoor ontstaat een douaneschuld wegens onttrekking in de zin van art. 79 lid 1 onder a DWU. X BV draagt de bewijslast voor het tenietgaan van die douaneschuld en maakt niet aannemelijk dat de goederen on(ge)(ver)bruikt het douanegebied van de Unie hebben verlaten. Het verzoek om terugbetaling faalt. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 22
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Douane, Accijns en verbruiksbelastingen
Editie: 20 maart
Informatiesoort: VN Vandaag