Op 8 november 2024 wijst X Hof ’s-Hertogenbosch erop dat in de uitspraak van 30 oktober 2024 niet is beslist op zijn verzoek om ISV. Het hof herstelt dit verzuim bij hersteluitspraak van 18 december 2024 en veroordeelt de Staat tot betaling van € 1000 aan ISV en een proceskostenvergoeding. X had inmiddels al cassatieberoep ingesteld tegen de oorspronkelijke uitspraak; het cassatieberoep tegen de hersteluitspraak wordt door de griffie aangemerkt als een nader stuk in die procedure.
De Hoge Raad oordeelt dat Hof ’s-Hertogenbosch bevoegd en zelfs verplicht was om het verzuim om te beslissen op het ISV-verzoek via een hersteluitspraak te herstellen. A-G Koopman meende dat dit niet mogelijk was, omdat het nalaten te beslissen op een ISV-verzoek geen ‘kennelijke fout’ is in de zin van art. 31 Rv, maar een gewone rechterlijke fout die alleen via de rechtsmiddelenroute kan worden hersteld (V-N 2025/57.13). De hersteluitspraak zou daarom in cassatie moeten worden genegeerd en de Hoge Raad zou zelf alsnog over ISV en proceskosten moeten beslissen. De Hoge Raad volgt deze benadering niet. Hij oordeelt dat het hof bevoegd en verplicht was om de omissie te herstellen (vgl. art. 32 Rv) en dat tegen een dergelijke hersteluitspraak zelfstandig cassatieberoep openstaat. Het cassatieberoep van X is daarom ook ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de hersteluitspraak. De klachten van X kunnen echter niet leiden tot cassatie (art. 81 RO). Het in cassatie voor het eerst gedane verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens strijd met art. 29 AWR.
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht, Belastingrecht algemeen
Editie: 9 februari
Informatiesoort: VN Vandaag