De nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Vbar is naar de Tweede Kamer gestuurd. In de nota beantwoordt Minister Aartsen van Werk en Participatie vragen over het wetsvoorstel invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief.

Het verduidelijkingonderdeel is via nota van wijziging uit het wetsvoorstel gehaald (zie V-N 2026/13.7). Vragen die betrekking hebben op dit onderdeel zijn daarom niet beantwoord. In de nota beantwoordt de minister wel vragen over: i) de noodzaak voor het wetsvoorstel, ii) het onderdeel rechtsvermoeden en iii) de gevolgen van het schappen van het verduidelijkingsonderdeel in het kader van het herstel- en veerkrachtplan (HVP).

Volgens de minister heeft het onderdeel rechtsvermoeden uitsluitend civielrechtelijke werking. De Belastingdienst toetst niet aan het rechtsvermoeden en heeft een eigen onderzoeksplicht. Verder heeft het wetsvoorstel onmiddellijke werking. Dit houdt in dat werkenden met ingang van de inwerkingtredingsdatum een beroep op het rechtsvermoeden kunnen doen. Dit geldt ook voor arbeidsrelaties die zijn aangegaan voor de inwerkingtredingsdatum, maar op of na de inwerkingtredingsdatum nog bestaan. Als blijkt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, dan geldt het dit voor de volledige duur van deze arbeidsrelatie.

Het schrappen van het verduidelijkingsonderdeel uit het wetsvoorstel heeft gevolgen voor de te behalen mijlpijlen uit het HVP. Hierdoor kan Nederland € 600 mln. mislopen. Het kabinet is daarom in gesprek met de Europese Commissie om de HVP-mijlpaal over het verduidelijkingsonderdeel aan te passen.

Wetingang:

Burgerlijk Wetboek Boek 7 artikel 610

Burgerlijk Wetboek Boek 7

[Nieuwsbron] [Nieuwsbron]

Rubriek: Inkomstenbelasting, Loonbelasting

Editie: 23 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

16

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen