X en zijn partner zijn in 2019, 2020 en 2021 fiscaal partner. Voor 2020 en 2021 doet X aangifte IB/PVV waarin hij een box 3-vermogen opgeeft. De inspecteur legt de aanslag 2020 op en vermindert die na bezwaar conform het kerstarrest. Voor 2021 handhaaft de inspecteur de aanslag na bezwaar maar verlaagt die in beroep vanwege het heffingvrije vermogen. X dient formulieren Opgaaf werkelijk rendement over 2020 en 2021 in. In geschil is of rechtsherstel box 3 moet worden verleend.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de box 3-heffing 2020 en 2021 een wettelijke grondslag heeft in de Wet IB 2001. De terugwerkende kracht van de Wet rechtsherstel box 3 is toelaatbaar. X draagt de bewijslast voor een lager werkelijk rendement dan het forfaitaire rendement. Omdat hij in de opgaven werkelijk rendement ten onrechte geen ongerealiseerde waardeveranderingen van zijn box 3-vermogen opneemt, maakt hij een lager werkelijk rendement niet aannemelijk. De rechtbank ziet geen aanleiding voor verder rechtsherstel en bevestigt de verminderde aanslagen. Het beroep is gegrond omdat er in 2021 ten onrechte geen rekening is gehouden met het heffingvrije vermogen van de partner.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 1.2
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 2.17
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.1
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.2
Wet rechtsherstel box 3 artikel 7
Instantie: Rechtbank Noord-Nederland
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 16 februari
Informatiesoort: VN Vandaag