X ontvangt in 2021 een uitnodiging om aangifte IB/PVV 2020 te doen en krijgt uitstel tot 1 mei 2022. X dient geen aangifte in, ondanks herinnering en vervolgens een aanmaning met een concrete uiterste datum. X reageert schriftelijk en verwijst daarbij naar het kenmerk van de aanmaning en kondigt latere indiening aan. De inspecteur stelt daarna ambtshalve de aanslag vast, berekent belastingrente en legt een verzuimboete op. Tijdens de bezwaarprocedure dient X alsnog de aangifte in. Voor eerdere jaren 2014 tot en met 2019 heeft X de aangiften eveneens structureel te laat ingediend en verzuimboetes ontvangen. In geschil is of de inspecteur terecht een verzuimboete wegens het niet tijdig doen van aangifte oplegt en de uitspraak op bezwaar voldoende motiveert.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de inspecteur overtuigend aantoont dat X de aanmaning heeft ontvangen, omdat X kort daarna schriftelijk reageert, expliciet naar het kenmerk verwijst en uitstel voor de aangifte vraagt. Daarmee staat het beboetbare feit vast en bestaat geen afwezigheid van alle schuld. Gezien de structurele te late indiening van aangiften en eerdere verzuimboetes acht de rechtbank de verzuimboete van € 1000 passend en geboden. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de bezwaargrond over rente terecht als betrekking op belastingrente uitlegt en dat alleen de ontvanger over invorderingsrente beslist, zodat de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd is.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67A
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 9
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30F
Instantie: Rechtbank Noord-Nederland
Rubriek: Invordering, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 3 april
Informatiesoort: VN Vandaag