X heeft de Nederlandse nationaliteit en drijft een onderneming waarvan de activiteiten bestaan uit advisering en het sluiten van deals. Hij doet aangifte IB/PVV als buitenlands belastingplichtige en geeft voor het jaar 2020 een verlies uit onderneming aan door een bijzondere waardevermindering van vlottende activa voor een ziekenhuisproject in Pakistan. In zijn aangifte 2021 claimt hij een negatieve waardeverandering van vorderingen. De inspecteur corrigeert beide aangiften. In geschil is of X de uitgaven voor het Pakistaanse ziekenhuisproject als ondernemingskosten ten laste van zijn Nederlandse winst mag brengen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X, ondanks overlegde correspondentie, betalingsbewijzen en processtukken, niet aannemelijk maakt dat hij de geclaimde bedragen daadwerkelijk als ondernemingskosten voor zijn Nederlandse activiteiten uitgeeft. De rechtbank verwerpt ook het beroep op algemene beginselen van behoorlijk bestuur en op art. 6 EVRM. De winstcorrecties blijven in stand.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.8
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.2
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 12 maart
Informatiesoort: VN Vandaag