X houdt de aandelen in Y BV. Y BV heeft verschillende leningen verstrekt aan X. Daarnaast is sprake van een rekening-courantverhouding. Eind 2012 beloopt de totale schuld van X aan Y BV ruim € 2 mln. In 2014 emigreert X naar Spanje. Naar aanleiding van door X verstrekte informatie stelt de inspecteur dat in 2012, dan wel 2014, sprake is van een winstuitdeling voor het volledige bedrag van de schuld. Volgens de inspecteur beschikt X eind 2012 namelijk over onvoldoende inkomen en vermogen om de schuld af te lossen. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur geen feiten en omstandigheden heeft gesteld, waaruit blijkt dat in 2012 sprake is van ‘prijsgegeven’. De inspecteur gaat in hoger beroep.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat ‘onzakelijk stilzitten’ niet voldoende is voor de conclusie dat sprake is van prijsgeven. Het hof volgt, na een analyse van de arresten van de Hoge Raad van 13 januari 2023 (ECLI:NL:HR:2023:26, V-N 2023/4.7) en 8 februari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:189, V-N 2019/9.10) de formeel-juridische benadering. Er is pas sprake van prijsgeven wanneer de vorderingen in formeel-juridische zin tenietgaan, bijvoorbeeld door kwijtschelding of liquidatie. Daar is in casu geen sprake van. Het hof verwerpt dan ook het standpunt van de inspecteur dat in 2012 ofwel 2014 een onttrekking heeft plaatsgevonden ter grootte van de totale schuld van X aan Y BV en dat deze onttrekking in dat jaar een winstuitdeling vormt. Met betrekking tot de mutaties in 2012 en 2014 is wel sprake is van een onttrekking. De financiële positie van X was in de jaren 2012 en 2014 zodanig dat ten tijde van de toename van de schuld vaststond of zo goed als zeker was dat X de bijgeschreven bedragen niet kon aflossen. Het hof vermindert de navorderingsaanslagen.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.12
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 4 februari
Informatiesoort: VN Vandaag
Focus: Focus