De Hoge Raad oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg geheel moet worden toegerekend aan de rechtbank. Het hof had de Staat moeten veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade wegens het overschrijden van de redelijke termijn.

X BV klaagt over de door Hof Den Haag gegeven beslissing met betrekking tot de aan haar toegekende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hof heeft geoordeeld dat de overschrijding van de redelijke termijn voor de fase van eerste aanleg volledig is toe te rekenen aan de bezwaarfase. Daarom heeft het hof de inspecteur veroordeeld tot een vergoeding van immateriële schade. X BV stelt dat de overschrijding van de redelijke termijn geheel aan de rechtbank moet worden toegerekend en dat de Staat de immateriële schadevergoeding moet betalen.

De Hoge Raad oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn moet worden toegerekend aan de rechtbank. Het hof had dus de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) moeten veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade wegens het overschrijden van de redelijke termijn. De Staat moet ook alsnog de proceskostenvergoeding en de griffierechten betalen. Het beroep van X BV is gegrond. Voor de cassatieprocedure krijgt X BV een proceskostenvergoeding van € 1868 en een griffierechtvergoeding van € 559.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 8.75

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 13 april

Informatiesoort: VN Vandaag

44

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen