X BV heeft zonnepanelen geplaatst op het dak van een gehuurd distributiecentrum. Om de volledige PV-installatie, bestaande uit zonnepanelen, omvormers, bekabeling en meet- en regelapparatuur, te mogen plaatsen, heeft X BV voor het dak een huurovereenkomst gesloten met de eigenaar van het pand. Daarnaast is een recht van opstal gevestigd. In geschil is de WOZ-waardering van de PV-installatie. Partijen zijn het erover eens dat de omvormers, bekabeling en meet- en regelapparatuur onder de OZB-werktuigenvrijstelling vallen. X BV stelt dat de werktuigenvrijstelling van toepassing is op de gehele PV-installatie, waaronder de zonnepanelen en het onderstel. De centrale vraag is of de PV-installatie zelfstandig als gebouwd eigendom kwalificeert. Indien dat het geval is, is de vrijstelling niet van toepassing op het geheel, maar slechts op afzonderlijke onderdelen. Indien daarvan geen sprake is, kan de vrijstelling wél van toepassing zijn op het werktuig als geheel.
De Hoge Raad volgt het oordeel van het hof dat de PV-installatie op zichzelf als gebouwd eigendom is aan te merken en daarom niet als geheel onder de werktuigenvrijstelling kan vallen. Het hof heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat niet in geschil is dat de PV-installatie één onroerende zaak is in de zin van art. 16 Wet WOZ. Het hof is er daarom terecht van uitgegaan dat de installatie een afzonderlijk WOZ-object is. Anders dan X BV meent kan een opstalrecht niet kwalificeren als een onroerende zaak in de zin van art. 16 Wet WOZ, ook niet in combinatie met de onroerende zaak waarop het betrekking heeft. Het hof is er – in cassatie onbestreden – van uitgegaan dat de installatie een werk is in de zin van art. 3:3 BW, heeft vervolgens de juiste maatstaf gehanteerd en is terecht tot het oordeel gekomen dat de installatie aan de bestemmingseis voldoet. Het criterium van bouwkundige zelfstandigheid is terecht buiten beschouwing gelaten, omdat dit alleen van belang is als het gaat om de vraag of een onderdeel van een afzonderlijk WOZ-object op zichzelf als een gebouwd eigendom is aan te merken, wat hier niet aan de orde is. Tot slot heeft het hof terecht geen betekenis toegekend aan de vraag of de zonnepanelen met de grond zijn verenigd. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van X BV ongegrond.
Wetingang:
Wet waardering onroerende zaken artikel 18
Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken artikel 2
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Waardering onroerende zaken
Editie: 19 januari
Informatiesoort: VN Vandaag