X maakt per e-mail bezwaar tegen een WOZ-beschikking. In geschil is of dit bezwaar tijdig is.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste verdeling van de bewijslast bij de beoordeling van de tijdige indiening van een per e-mail ingediend bezwaarschrift. Verzending per e-mail valt onder elektronisch berichtenverkeer als bedoeld in afdeling 2.3 Awb. Op grond van art. 2:17 lid 2 (oud) Awb is een e-mailbericht ontvangen op het moment dat dit bericht het systeem voor gegevensverwerking van het bestuursorgaan heeft bereikt. Indien de ontvangst wordt betwist, moet de verzender in beginsel aannemelijk maken dat het bericht naar het juiste e-mailadres is verzonden. Dat rechtvaardigt een vermoeden van ontvangst, dat door het bestuursorgaan kan worden ontzenuwd door omstandigheden aan te voeren die ontvangst redelijkerwijs betwijfelbaar maken, waarbij ten minste onderzoek naar het eigen systeem moet blijken. De rechtbank heeft dit miskend door te oordelen dat de schermafbeelding onvoldoende is om ontvangst aannemelijk te maken. Dit kan echter niet tot cassatie leiden. Het oordeel van de rechtbank moet volgens de Hoge Raad zo worden begrepen dat de ontvangst, gelet op de betwisting door de heffingsambtenaar, redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Daarin ligt besloten dat X het vereiste bewijs niet heeft geleverd. Dit oordeel is niet onjuist of onbegrijpelijk.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 2.17
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.7
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.9
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 13 april
Informatiesoort: VN Vandaag