Rechtbank Gelderland oordeelt dat de inspecteur de VPB-aanslag 2020 niet op een redelijke schatting baseert. De rechtbank verlaagt de aanslag en matigt de verzuimboete wegens overschrijding van de redelijke termijn.

X BV bestaat sinds 2012 en heeft A als enig aandeelhouder en bestuurder. A brengt in 2012 een ontslagvergoeding van € 123.245 in tegen een recht op een periodieke stamrechtuitkering. Op 31 december 2013 heeft X BV een vordering op A van in totaal € 131.633. X BV doet tot en met 2020 geen (tijdige) aangiften VPB. Voor 2020 legt de inspecteur ambtshalve een aanslag op naar een belastbare winst van € 17.500 met een verzuimboete van € 5514. X BV gaat in beroep.

Rechtbank Gelderland oordeelt dat X BV de vereiste aangifte niet heeft gedaan, zodat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. De omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de inspecteur niet van zijn verplichting om de aanslag niet naar willekeur vast te stellen. De aanslag dient te berusten op een redelijke schatting. De inspecteur is uitgegaan van de gemiddelde winst en het gemiddelde loon behorende bij de sectorcode van X BV, waarna hij de hieruit afgeleide winst heeft verlaagd op basis van eerder aan X BV opgelegde aanslagen VPB. Volgens de rechtbank is in dit geval geen sprake van een redelijke schatting omdat de schatting niet is gebaseerd op concrete aanknopingspunten, zoals de door X BV overgelegde bankafschriften en de leenverhouding tussen X BV en A. De rechtbank berekent een zakelijke rente van 5% op de lening aan A, houdt rekening met bankkosten en stelt uiteindelijk de belastbare winst vast op € 8795. De rechtbank acht de verzuimboete terecht maar matigt deze wegens overschrijding van de redelijke termijn tot € 4686. Het beroep is gegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67A

Instantie: Rechtbank Gelderland

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Vennootschapsbelasting

Editie: 2 april

Informatiesoort: VN Vandaag

22

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen