Y is in 2022 enig aandeelhouder van Y BV, houdster van twee werkmaatschappijen, W1 en W2. In juni 2022 schenkt Y alle aandelen Y BV aan werknemer X, die sinds 2007 bij het concern werkt en directeur is. X is op dat moment in dienst bij W1 en treedt daarna in dienst bij Y BV. Een advieskantoor waardeert de aandelen op € 7.800.000. De notaris legt de schenking vast in een notariële akte met ontbindende voorwaarden en een doorgeefverplichting aan toekomstige bestuurders. X doet aangifte IB/PVV 2022 naar € 233.836 loon. De inspecteur merkt de schenking aan als loon. X gaat in beroep.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de inspecteur niet aannemelijk maakt dat de schenking loon vormt. De aandelen behoren tot het privévermogen van Y, W1 of Y BV compenseert diens verarming niet. Er bestaat geen opdracht of rekening van de werkgever, zodat ook de jurisprudentie over loon van derden binnen concernverband niet geldt. De schenking vloeit voornamelijk voort uit de wens de continuïteit en zelfstandigheid van het bedrijf te waarborgen, niet uit een overheersende beloningsbedoeling voor arbeid. Daarom kwalificeert de waarde niet als loon of als fooien en dergelijke prestaties van derden. Het beroep is gegrond.
Wetingang:
Besluit proceskosten bestuursrecht artikel 2
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.81
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 10
Burgerlijk Wetboek Boek 2 artikel 24A
Instantie: Rechtbank Noord-Nederland
Rubriek: Loonbelasting, Schenk- en erfbelasting
Editie: 20 februari
Informatiesoort: VN Vandaag