De Hoge Raad oordeelt dat indien de inspecteur in cassatie alsnog tegemoetkomt aan belanghebbende in de zin van art. 8:75a Awb, ervan moet worden uitgegaan dat het beroep om inhoudelijke redenen gegrond was.

X stelt cassatieberoep in tegen een uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden over diverse aanslagen IB/PVV met heffings- respectievelijk belastingrentebeschikkingen. De Staatssecretaris van Financiën laat weten dat de inspecteur alsnog de premies zal terugbetalen en een proceskostenvergoeding voor het cassatieberoepschrift zal toekennen. Hierop trekt X zijn cassatieberoep in en verzoekt hij de Hoge Raad om vergoeding van de proceskosten van het cassatiegeding en de procedure bij de rechtbank.

De Hoge Raad oordeelt dat indien de inspecteur in cassatie alsnog tegemoetkomt aan belanghebbende in de zin van art. 8:75a Awb, ervan moet worden uitgegaan dat het beroep om inhoudelijke redenen gegrond was. In het geval van X leidt dat ertoe dat de Hoge Raad de door de rechtbank toegepaste wegingsfactor voor de proceskosten verhoogt van 0,5 naar 1. Daaraan staat niet in de weg dat X de beslissing van de rechtbank over de proceskosten niet heeft bestreden. De rechtbank was uitgegaan van een wegingsfactor 0,5, omdat de proceskostenvergoeding enkel verband hield met een ISV, maar bij een inhoudelijk gelijk hoort een wegingsfactor 1. Over de kosten van het cassatieberoep hebben partijen al overeenstemming bereikt, zodat de Hoge Raad daarover geen beslissing neemt. De staatssecretaris is op grond van art. 8:41 lid 7 Awb verplicht het griffierecht in cassatie aan X terug te betalen, maar de Hoge Raad kan daarover als bestuursrechter geen beslissing nemen.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 8.75A

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 16 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

60

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen