X stelt beroep in tegen een WOZ-beschikking. Rechtbank Den Haag verklaart het beroep inhoudelijk ongegrond, maar kent X wel een ISV van € 500 toe. De heffingsambtenaar stelt hoger beroep in, dat door Hof Den Haag ongegrond wordt verklaard. In cassatie klaagt X dat het hof ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de heffingsambtenaar, gelet op het ongegronde hoger beroep, had moeten veroordelen in de proceskosten van X. Indien het hoger beroep van het bestuursorgaan ongegrond is, brengt de hoofdregel mee dat dit orgaan wordt veroordeeld in de proceskosten die de belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken. Het hof heeft niet gemotiveerd waarom hiervan is afgeweken, zodat de uitspraak in zoverre onvoldoende is gemotiveerd. Nu de stukken geen aanwijzingen bevatten voor het bestaan van een uitzondering, veroordeelt de Hoge Raad de heffingsambtenaar in de proceskosten van X voor het principale hoger beroep. Het cassatieberoep van X is daarom gegrond. Het incidentele cassatieberoep van het Dagelijks Bestuur wordt met toepassing van art. 81 Wet RO ongegrond verklaard. X ontvangt hiervoor echter geen proceskostenvergoeding, omdat zijn zienswijze te laat is ingediend en door de Hoge Raad buiten beschouwing is gelaten. De Hoge Raad houdt de behandeling aan om de gemachtigde van X in de gelegenheid te stellen aannemelijk te maken dat hij kan worden aangemerkt als een bijzonder geval in de zin van HR 17 januari 2025, V-N 2025/5.27. Een gemachtigde die als zodanig kwalificeert, valt buiten de reikwijdte van de Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en BPM en komt in aanmerking voor de reguliere proceskostenvergoeding.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.75
Wet waardering onroerende zaken artikel 30A
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 19 januari
Informatiesoort: VN Vandaag