A BV exploiteert parkeergarages. Op 22 maart 2022 verkrijgt A BV de eigendom van drie parkeergarages. Vervolgens verkrijgt X BV op dezelfde dag de aandelen in A BV. Ter zake van deze verkrijging voldoet X BV € 316.968 aan overdrachtsbelasting. X BV stelt echter dat A BV ten tijde van die verkrijging van de aandelen niet kwalificeert als een onroerendezaakrechtspersoon. Volgens haar is sprake is van een zogeheten mobility service, waarbij de parkeerplaatsen noodzakelijk zijn om het parkeerbedrijf te kunnen uitoefenen. Er is dan niet voldaan aan de doeleis, zodat geen overdrachtsbelasting is verschuldigd. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat is voldaan aan de doeleis en dat X BV in verband met de verkrijging van de aandelen in A BV overdrachtsbelasting is verschuldigd. X gaat in hoger beroep.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat de door X BV verkregen aandelen in A BV kwalificeren als fictieve onroerende zaken in de zin van art. 4 lid 1 onderdeel a WBR. De terbeschikkingstelling van delen van de onroerende zaken is niet ondergeschikt in het geheel van prestaties die aan de afnemers worden verricht. Een deel van de parkeergarage wordt namelijk tegen een (tijdsafhankelijke) vergoeding ter beschikking gesteld aan de afnemers. Het gaat dan om de exploitatie van de onroerende zaken in het kader van het eigen bedrijfsproces als zodanig en er is dan ook voldaan aan de doeleis. De door X BV genoemde bijkomende voorzieningen zijn daarnaast ondergeschikt aan de terbeschikkingstelling van de parkeerplaatsen. Het hoger beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 4
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Belastingen van rechtsverkeer
Editie: 20 maart
Informatiesoort: VN Vandaag