X woont met zijn partner in een vrijstaande woning met paardenstallen. X is handelaar in oude metalen. De activiteiten lopen achtereenvolgens via twee BV’s, waarvan de eerste inmiddels is ontbonden en de tweede failliet is gegaan. Op de bedrijfslocatie staat een geautomatiseerde weegbrug om het gewicht van de ingekochte metalen te bepalen. Bij het boekenonderzoek stelt de inspecteur vast dat deze inkopen niet kunnen kloppen. Zo is een groot deel van de inkopen afkomstig van particulieren die de metalen met vrachtauto’s aanleveren en zijn niet-bestaande kentekens en adressen ingevoerd. Volgens de inspecteur heeft X door fictieve inkopen zeer grote contante bedragen onttrokken aan de BV’s. Daarnaast zijn ten onrechte privékosten door de BV’s betaald. X gaat in (hoger) beroep.
Hof Arnhem-Leeuwarden (V-N 2024/27.1.7) oordeelt dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard wegens het niet in de IB-aangiften verantwoorden van zowel relatief als absoluut aanzienlijke bedragen aan inkomen uit aanmerkelijk belang. De inspecteur heeft ten onrechte geen stukken ingebracht met betrekking tot de (vermeende) contante betaling van een paard. Er worden geen gevolgen aan verbonden, omdat de stukken zijn gebruikt voor de onderbouwing van de vermogensvergelijking en dus slechts een ondersteunend karakter hadden. Weliswaar erkent de inspecteur in (hoger) beroep dat in het controlerapport en in de uitspraak van de rechtbank rekenfouten staan, maar dat rechtvaardigt niet de conclusie dat de schattingen onredelijk zijn. Het beroep van X is uitsluitend gegrond vanwege het corrigeren van de rekenfouten. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.42
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 3 april
Informatiesoort: VN Vandaag