Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X BV van haar DGA een lagere rente heeft bedongen dan zij van een niet-aandeelhouder in dezelfde omstandigheden zou hebben bedongen, met de bedoeling de DGA te bevoordelen.

De enig aandeelhouder/directeur van X BV is A. A verstrekt in 2018 een privélening van € 1 mln. aan een zakelijke vriend uit de vastgoedsector en zijn BV. De overeengekomen rente is 7%. A leent de betreffende € 1 mln. zelf van X BV tegen een rente van 2%. Volgens Rechtbank Gelderland maakt de inspecteur niet aannemelijk dat X BV de lening in feite zelf aan de vriend van A heeft verstrekt of dat de lening van X BV aan A onzakelijk is. De rente kan volgens de rechtbank vanwege de gunstige vermogenspositie van A als zakelijk worden aangemerkt.In hoger beroep is opnieuw in geschil of de inspecteur terecht de winst verhoogt vanwege winstgemis.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X BV van A een lagere rente heeft bedongen dan zij van een niet-aandeelhouder in dezelfde omstandigheden zou hebben bedongen, met de bedoeling hem te bevoordelen. Dit voordeel moet dus tot haar winst worden gerekend. Gelet op het substantiële renteverschil tussen beide leningen had het voor beide partijen duidelijk moeten zijn dat het een onzakelijk lage rente is. Gelet op de omvangrijke bezittingen van de vriend kan niet worden gezegd dat zijn vermogenspositie slechter is dan die van A. Het beroep van de inspecteur is gegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.12

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 10

Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden

Rubriek: Vennootschapsbelasting, Inkomstenbelasting

Editie: 9 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

21

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen