X, een fiscale eenheid BTW, bestaat uit de bedrijven Y en Z. Y is een coöperatie, waarvan de leden bestaan uit Nederlandse onderwijs- en onderzoeksinstellingen (instellingen). Als commissionair koopt Z namens de instellingen lees- en publicatierechten in, waardoor licentieovereenkomsten tot stand komen tussen de buitenlandse uitgeverijen en de instellingen. Onder publicatierechten vallen sinds 2017, de overgang van het businessmodel van de uitgeverijen van 'close access' naar open 'access', ook vergoedingen voor de diensten die de uitgeverijen leveren om een artikel gepubliceerd te krijgen zoals review- en redactiewerkzaamheden. Omdat de uitgeverijen niet gevestigd zijn of een vaste inrichting hebben in Nederland wordt de BTW over de diensten van deze uitgeverijen verlegd naar Z. De buitenlandse uitgeverijen geven echter niet aan welk BTW-tarief van toepassing is, waardoor Z zelf moet vaststellen welk BTW-tarief van toepassing is op de diensten van deze uitgeverijen. In geschil is onder andere of de vergoeding voor de publicatierechten onder het verlaagde BTW-tarief valt.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat het verlaagde BTW-tarief niet van toepassing is op de vergoeding voor de publicatierechten. De BTW-gevolgen zijn door de verandering van het businessmodel van de uitgeverijen gewijzigd. Publicatierechten kwalificeren niet als de (digitale) levering van een artikel of het (digitaal) ter beschikking stellen daarvan. Daarnaast zijn de leesrechten en de publicatierechten twee volledig van elkaar verschillende prestaties. De publicatierechten zijn daarbij niet ondergeschikt aan de tegen het verlaagde BTW-tarief belaste leesrechten. Verder is het neutraliteitsbeginsel niet geschonden en is de toepassing van het algemene BTW-tarief niet in strijd met de bedoeling van de wetgever. Evenmin is de richtlijnbepaling op dit punt te beperkt geïmplementeerd. X' beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 30