Naar aanleiding van de door X BV ingediende VPB-aangifte 2021 legt de inspecteur een voorlopige aanslag aan haar op. Daarbij wordt belastingrente in rekening gebracht over de periode 1 juli 2022 - 26 augustus 2023, naar het volgens het Besluit belasting- en invorderingsrente (Bbi) geldende percentage van 8. X BV acht het gehanteerde percentage te hoog. Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de bepaling uit het Bbi, waarin de hoogte van het percentage belastingrente voor de VPB is geregeld, in strijd met het evenredigheidsbeginsel is vastgesteld. De rechtbank stelt de rente vast op 4%. De staatssecretaris stelt (sprong)cassatie in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad oordeelt dat de in het Besluit belasting- en invorderingsrente vastgestelde rente van 8% te hoog is. Volgens de Hoge Raad ontbreken namelijk redelijke rechtvaardigingsgronden voor de selectieve renteverhoging voor VPB-plichtigen. De besluitgever heeft dan ook met art. 1 onderdeel b Besluit belasting- en invorderingsrente een lastenverzwaring doorgevoerd waardoor extra lasten op het gebied van de belastingrente zonder goede grond bij slechts één groep belastingplichtigen worden gelegd. Deze bepaling is in strijd met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Art. 1 onderdeel b Besluit belasting- en invorderingsrente is daarom onverbindend en zal als gevolg daarvan buiten toepassing moeten blijven. In overeenstemming met hetgeen partijen hebben gesteld, moet dan een percentage van 4 worden toegepast, het percentage dat ook geldt voor andere belastingen. Het beroep in cassatie van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard.
Wetingang:
Besluit belasting- en invorderingsrente artikel 1
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30F
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 19 januari
Informatiesoort: VN Vandaag
Focus: Focus