Rechtbank Den Haag oordeelt dat het verhoogde eigenwoningforfait van 2,35% boven het grensbedrag niet in strijd is met art. 14 EVRM of art. 1 EP EVRM.
X bezit samen met zijn fiscaal partner een eigen woning met een WOZ‑waarde van € 1.683.000 in 2023. De eigenwoningschuld bedraagt € 1.170.834 met een renteaftrek van € 24.533. Het eigenwoningforfait wordt berekend met 0,35% tot € 1.200.000 en 2,35% over het meerdere. Dit levert een forfait op van € 15.550 en een negatief saldo inkomsten uit eigen woning van € 8983, geheel toegerekend aan de fiscaal partner. X maakt bezwaar en stelt beroep in tegen het verhoogde forfait.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat de wetgever het verhoogde eigenwoningforfait van 2,35% bewust heeft ingevoerd voor het gedeelte van de woningwaarde boven de grens om het beleggingsaspect zwaarder te belasten. Dit verschil in behandeling berust op een objectieve en redelijke rechtvaardiging en valt binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever. De regeling respecteert de fair balance tussen individueel en algemeen belang en schendt de verdragsbepalingen (art. 14 EVRM en art. 1 EP EVRM) niet. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.112
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 14
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Europees belastingrecht, Inkomstenbelasting
Editie: 23 januari
Informatiesoort: VN Vandaag