De heffingsambtenaar stelt de WOZ-waarde van X' woning per 1 januari 2020 vast op € 193.000. Rechtbank Zeeland-West-Brabant verlaagt de WOZ-waarde naar € 183.000, vermindert de aanslag en kent X een proceskostenvergoeding en een immateriëleschadevergoeding (ISV) toe wegens een overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep van elf maanden, berekend op € 50 per half jaar, in totaal € 100. In geschil is of de rechtbank terecht een ISV van € 50 per half jaar heeft toegekend.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat Rechtbank Zeeland-West-Brabant een te laag tarief heeft gehanteerd bij de toekenning van de ISV, omdat het overgangsrecht van de Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en BPM van toepassing is. Volgens het overgangsrecht vindt een toekenning van een lagere vergoeding voor immateriële schade eerst toepassing op vergoedingen voor overschrijding van de redelijke termijn waarvan de termijn aanvangt per 1 januari 2024. X heeft zijn verzoek voor een ISV ingediend voor 1 januari 2024 en de redelijke termijn is aangevangen op 4 maart 2021 en op 4 maart 2023 overschreden.Dit betekent dat X recht heeft op een ISV van € 1000 (€ 500 per halfjaar afgerond in het voordeel van de belastingplichtige). X' hoger beroep is gegrond.
Wetingang:
Wet waardering onroerende zaken artikel 30
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Waardering onroerende zaken
Editie: 3 april
Informatiesoort: VN Vandaag