De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wijst het verzoek af van A.M., een Marokkaanse staatsburger wiens echtgenote en twee minderjarige kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben, om in aanmerking te komen voor een afgeleid verblijfsrecht in Nederland. In hoger beroep stelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in het licht van het Consorzio-arrest (HvJ EU 6 oktober 2021, C-561/19, V-N 2021/51.12) een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie. De Afdeling wil het beroep van A.M. namelijk afwijzen met een verkort gemotiveerde uitspraak (zie art. 91 lid 2 Vreemdelingenwet 2000) en zonder prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voor te leggen.
Het Hof van Justitie oordeelt dat het in strijd met het EU-recht is dat een opgeworpen vraag over de uitlegging of de geldigheid van een EU-rechtelijke bepaling met een verkorte motivering kan worden afgedaan. Dit geldt voor zaken waarin de beslissing niet meer vatbaar is voor hoger beroep. Hierbij is niet van belang of deze vraag gepaard gaat met een uitdrukkelijk verzoek om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. Het Hof van Justitie merkt daarbij nog wel op dat een uitzondering geldt wanneer deze hoogste rechter specifiek en concreet uiteenzet waarom een van de door het Hof van Justitie in het Cilfit-arrest (6 oktober 1982, 283/81) genoemde drie uitzonderingen op de verwijzingsplicht van toepassing is. Dat het EHRM, met name in het Baydar tegen Nederland-arrest (24 april 2018, 55385/14), heeft geoordeeld dat de Nederlandse regeling niet onverenigbaar is met de bepalingen van het EVRM, is niet van belang.
Wetingang:
Wet op de rechterlijke organisatie artikel 80A
Wet op de rechterlijke organisatie artikel 81
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie artikel 20
Instantie: Hof van Justitie van de Europese Unie
Rubriek: Vreemdelingenrecht, Fiscaal bestuurs(proces)recht, Europees belastingrecht
Editie: 26 maart
Informatiesoort: VN Vandaag