De Hoge Raad oordeelt dat het verstrekken van het alcoholhoudend pauzedrankje geen bijkomende prestatie is die deelt in het verlaagde BTW-tarief voor de theatervoorstelling. Volgt verwijzing voor de vraag of de naheffing in strijd met het vertrouwensbeginsel.

Stichting X exploiteert een theater. De toegangsprijs voor de bezoekers in inclusief een pauzedrankje, dat alcoholvrij of alcoholhoudend is. X past in haar BTW-aangiften voor de alcoholhoudende pauzedrankjes het normale tarief toe. Zij is later van mening dat uitsluitend het lage tarief van toepassing is en vraagt het teveel betaalde terug. Na de teruggaaf legt de inspecteur alsnog een naheffingsaanslag op. Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelt de inspecteur in het gelijk. Volgens Hof 's-Hertogenbosch is het verstrekken van het pauzedrankje een bijkomende prestatie die het fiscale lot van de hoofdprestatie deelt. De Staatssecretaris gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat het verstrekken van het pauzedrankje dus geen bijkomende prestatie is die deelt in het verlaagde tarief voor de hoofdprestatie (zie ook HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:280). Het beroep van de Staatssecretaris is gegrond. Volgt verwijzing naar Hof Arnhem-Leeuwarden voor de vraag of de naheffing in strijd met het vertrouwensbeginsel.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op de omzetbelasting 1968

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Omzetbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 16 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

293

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen