X verstrekt in 2011 samen met enkele anderen (de schuldeisers) een lening van € 550.000 aan Q BV. Het aandeel van X in deze lening is € 150.000. Q BV wendt de lening aan om aandelen Z BV te kopen. Bij het verstrekken van de lening wordt overeengekomen dat de schuldeisers een call-optie van 20% op de lening verlenen aan Q BV. Na diverse transacties, en het lichten van de optie door Q BV, houdt Q BV 19,44% van de aandelen in Z BV. In 2018 verkoopt Q BV de aandelen Z BV en keert € 900.000 uit aan X. De inspecteur is van mening dat X een ab in Z BV heeft. X is het daar niet mee eens. Hij stelt dat hij door het verlenen van de optie van 20% niet het volledige economische belang bij de aandelen heeft, maar slechts een belang van 4,24%. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X geen ab heeft in Z BV. De inspecteur gaat in hoger beroep.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat de vervreemding van de aandelen in 2018 er voor X toe leidt dat hij in dat jaar ab-inkomen geniet. X heeft namelijk, ondanks de verleende call-optie, een genotsrecht op de aandelen. Het hof overweegt daarbij dat X tot de uitoefening van het optierecht gerechtigd is tot alle voordelen die worden behaald met (de economische eigendom van) de aandelen. Volgens het hof is X direct aandeelhouder van 10,605% van de aandelen in Z BV en vanaf de vervreemding van de aandelen in Z BV in 2014 is zijn belang is gedaald tot 5,3%. Het gelijk is aan de inspecteur.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.3
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.6
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.7
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.22
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 10 maart
Informatiesoort: VN Vandaag