De Hoge Raad oordeelt dat de verlengde beslistermijn van art. 236 lid 2 Gemeentewet ook geldt als de uitspraak op bezwaar niet ziet op de heffing zelf maar op een dwangsombeschikking over een gemeentelijke heffing.

X stelt de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam op 9 augustus 2022 in gebreke wegens het uitblijven van een beslissing op een bezwaar tegen een dwangsombeschikking. Die dwangsombeschikking ziet op het niet-tijdig beslissen op een eerder bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting. Rechtbank Amsterdam oordeelt dat de ingebrekestelling prematuur is, omdat de beslistermijn op grond van art. 236 lid 2 Gemeentewet loopt tot het einde van het kalenderjaar. Hof Amsterdam bevestigt dit oordeel en overweegt dat deze verlengde beslistermijn weliswaar is ingevoerd “met het oog op de piekbelasting als gevolg van de koppeling van de verzending van de gemeentelijke belastingaanslagen aan de beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken”, maar dat die beslistermijn door de wetgever in art. 236 lid 2 Gemeentewet niet is beperkt tot WOZ-beschikkingen en daaraan gerelateerde belastingaanslagen.

De Hoge Raad oordeelt dat de verlengde beslistermijn van art. 236 lid 2 Gemeentewet ook geldt als de uitspraak op bezwaar niet ziet op de heffing zelf maar op een dwangsombeschikking over een gemeentelijke heffing. De tekst van art. 236 lid 2 Gemeentewet heeft betrekking op ieder bezwaarschrift waarop de heffingsambtenaar beslist. Deze bepaling is niet beperkt tot belastingheffing en geldt daarom ook voor bezwaren tegen dwangsombeschikkingen. Voor een beperktere uitleg biedt de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 4.18

Algemene wet bestuursrecht artikel 7.10

Gemeentewet artikel 236

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 13 april

Informatiesoort: VN Vandaag

7

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen