X is betrokken bij diverse vennootschappen, waaronder A BV, het in het Verenigd Koninkrijk gevestigde B en het naar het recht van de Seychellen opgerichte C. In het kader van de Panama-papers komt X in beeld bij de autoriteiten. De inspecteur legt, met toepassing van de verlengde navorderingstermijn, een IB-navorderingsaanslag 2011 op aan X. Uit onderzoek blijkt namelijk dat X in 2011 € 300.000 heeft ontvangen van B en een zelfde bedrag van C. Daarnaast heeft X nog een bedrag van € 40.000 ontvangen van B. X is het niet eens met de aan hem opgelegde navorderingsaanslag. Hij stelt dat C een lening heeft verstrekt van € 640.000. Volgens de inspecteur is X echter UBO van B en C en daarmee in economische zin ab-houder van deze vennootschappen. X is volgens hem gerechtigd tot de voordelen die afkomstig zijn uit deze vennootschappen. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt net als de rechtbank dat de inspecteur X terecht als ab-houder van A BV heeft aangemerkt. Ook zijn de dividenduitkeringen van € 300.000 van B en C, die via een zustermaatschappij zijn toegekomen aan X, zogenaamd als lening, terecht als ab-inkomen bij X in aanmerking genomen. X maakt niet aannemelijk dat sprake is van een lening. X gaat in cassatie.
Advocaat-generaal Koopman concludeert dat de inspecteur zich kan beroepen op de verlengde navorderingstermijn, ook al zijn de dividenden afkomstig van een Nederlandse vennootschap en uiteindelijk aan X uitbetaald op zijn Nederlandse bankrekening. De A-G wijst er daarbij op dat de aard van het voordeel voorafgaand aan het genietingsmoment door buitenlandse transacties aan het zicht van de fiscus is onttrokken. Art. 16 lid 4 AWR is dan naar zijn strekking toepasbaar. Met betrekking tot het materiële punt (is X terecht aangemerkt als ab-houder?) verwijst de A-G naar de samenhangende conclusie over de jaren 2008 en 2010, waarin dit punt wordt aangesneden (conclusie Advocaat-generaal Koopman, 30 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:123, V-N Vandaag 2026/293. De A-G adviseert de Hoge Raad om het cassatieberoep ongegrond te verklaren.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.6
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 16
Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting
Editie: 17 februari
Informatiesoort: VN Vandaag