Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de inspecteur gebonden is aan een eerder bij de aanslagregeling ingenomen standpunt over het verlies uit aanmerkelijk belang, maar slechts tot het contractueel toerekenbare deel.

X houdt sinds 2015 via certificaten een aanmerkelijk belang in een vennootschap. In 2016 verkoopt de stichting waarin X participeert alle aandelen aan een koper, waarbij een vrijwaringsclausule de verkopers verplicht belastingschade te vergoeden. In 2017 betaalt X € 337.942 ter compensatie van een naheffingsaanslag loonheffingen. In zijn aangifte IB/PVV 2017 verwerkt X dit bedrag volledig als negatief vervreemdingsvoordeel. De inspecteur accepteert alleen € 158.733, berekend naar rato van het aandelenbelang, en legt een aanslag op.

In geschil is of het volledige door X betaalde bedrag als negatief vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang in 2017 in aanmerking komt.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat het meerdere boven het contractueel toerekenbare deel geen vermindering van de overdrachtsprijs vormt en ook niet kwalificeert als kosten die direct verband houden met de vervreemding. Wel is sprake van een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur voor het bedrag van € 158.733, verstrekt na volledige informatieverschaffing. Voor dit gedeelte is het vertrouwensbeginsel van toepassing, waardoor de inspecteur daaraan gebonden is. Het verlies uit aanmerkelijk belang wordt daarom vastgesteld op € 158.733.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.29

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.20

Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting

Editie: 29 januari

Informatiesoort: VN Vandaag

24

Gerelateerde artikelen