X BV houdt zich bezig met ‘market making’ en de handel in financiële instrumenten. Zij verschaft liquiditeit voor financiële producten en heeft een aantal buitenlandse dochtervennootschappen in onder andere Singapore, Hong Kong en de Verenigde Staten. De handelingen van X BV betreffen, voor zover het prestaties onder bezwarende titel zijn, vrijgestelde prestaties in de zin van art. 11 lid 1 onderdeel i sub 2 Wet OB 1968. Ter bepaling van een pro rata maken X BV en de inspecteur in 2009 een afspraak over de vaststelling van de BTW-aftrek voor de aan X BV in rekening gebrachte gemengde kosten. In 2016 wil X BV de afspraken bijstellen. Daarbij zouden dan de van haar dochtervennootschappen ontvangen vergoedingen moeten worden meegenomen in de pro rata berekening, zodat recht bestaat op meer aftrek van voorbelasting. De inspecteur is het hier niet mee eens. Hof Amsterdam oordeelt dat X BV onvoldoende heeft onderbouwd waarom zij recht heeft op een hogere aftrek van BTW-voorbelasting. Zo heeft X BV volgens het hof onder andere onvoldoende cijfermatige informatie bijgebracht. Het is het hof onduidelijk welke verdeelsleutels voor evenredige aftrek zijn gebruikt in de aangiften. Verder ontbreken relevante bedragen betreffende de handel in effecten en bestaat slechts globaal inzicht in de omvang van de van haar dochtervennootschappen ontvangen vergoedingen. X BV gaat in cassatie en stelt daarbij dat zij alles mag aandragen ten bewijze van de vaststelling van de omvang van het recht op aftrek van voorbelasting met betrekking tot de gemengde kosten.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof het standpunt van X BV, dat de vergoedingen voor de effectentransacties kunnen worden bepaald volgens een methode die uitgaat van het bruto handelsresultaat van transacties in een bepaalde periode, had moeten onderzoeken. Daarbij wordt verwezen naar het First National Bank of Chicago-arrest van het Hof van Justitie EU (14 juli 1998, C-172/96). De Hoge Raad verwijst de zaak vervolgens naar Hof Den Haag. Daarbij geeft de Hoge Raad het verwijzingshof nog enkele handvatten met betrekking tot de vaststelling van de maatstaf van heffing voor de effectentransacties en de bewijsvoering in het kader van art. 15 lid 2 onderdeel c Wet OB 1968.
Wetingang:
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 artikel 11
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 15