X en de inspecteur sluiten in november 2021 bij het hof een compromis over de jaren 2010 tot en met 2014, waarbij het inkomen van X wordt herberekend. De aanslagen IB/PVV en de vergrijpboeten worden dienovereenkomstig aangepast. X trekt het hoger beroep in. In maart 2022 ontvangt X verminderingsbeschikkingen. X verzoekt in april 2022 om verdere vermindering van de aanslagen en boeten, stellend dat het compromis niet volledig is nagekomen. De inspecteur wijst dit verzoek af, stelt dat de vijfjaarstermijn voor ambtshalve vermindering is verstreken en dat het compromis volledig is uitgevoerd. X gaat in (hoger) beroep.
Hof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur de verminderingsbeschikkingen heeft vastgesteld conform het in 2021 gesloten compromis. De inspecteur heeft de verzoeken om ambtshalve vermindering terecht afgewezen, nu deze na de vijfjaarstermijn zijn ingediend. Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank dat de wettelijke termijn strikt geldt, ongeacht het moment van oplegging van de aanslagen. De termijn voor indiening van een verzoek om ambtshalve vermindering is door de wetgever afhankelijk gesteld van het einde van het kalenderjaar waarop de aanslag betrekking heeft. Dit is volgens het arrest van de Hoge Raad van 2 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1795, V-N 2022/54.22, niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het hoger beroep is ongegrond.
Wetsartikelen:
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Algemene wet inzake rijksbelastingen 60
Wet financiering sociale verzekeringen 58
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 45aa
Wet inkomstenbelasting 2001 9.6
Instantie: Hof Amsterdam
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting
Editie: 1 september
Informatiesoort: VN Vandaag